Bewust onbewust reflecteren door docenten: interventieonderzoeksplan

In het kader van de master Professioneel Meesterschap is in de opleiding Commercieel Medewerker Bank en Verzekeren onderzoek verricht naar verbeteringen die het diplomarendement van de cursisten Bank en Verzekeren zou kunnen verhogen (Kroskinski, 2014). Een belangrijke conclusie uit dit onderzoek is dat de verhoudingen tussen docenten en cursisten niet optimaal zijn en dat didactische en relationele vaardigheden te weinig worden toegepast door de docenten.

In verband met onvoldoende instroom van nieuwe cursisten is de opleiding Commercieel Medewerker Bank en Verzekeringen met ingang van het cursusjaar 2013-2014 stopgezet en zijn de nog aanwezige cursisten overgeplaatst naar andere opleidingen of andere ROC’s. Om het vervolg van mijn onderzoek toch handen en voeten te kunnen geven is er gekozen om een interventie te gaan doen die zowel het verbeteren van relationele contacten als didactische vaardigheden beoogt, namelijk reflecteren met cursisten. Dit interventieplan “Bewust onbewust reflecteren” is een uitwerking voor mijn interventie. In dit interventieplan wordt eerst de context en de diagnose van het probleem beschreven waarna middels de redeneerketens toegewerkt wordt naar het arrangement van de interventie. Om het effect van de interventie te kunnen meten is er gebruik gemaakt van een proefgroep waarbij middels voor- en nametingen de resultaten zijn vastgesteld.

Advertenties

Beter diplomarendement voor cursisten

Samenvatting van het analyseonderzoek

Er is een landelijke ontwikkeling gaande dat er steeds minder cursisten kiezen voor de opleiding Commercieel Medewerker Bank en Verzekeringen (CMBV) waardoor er te kleine klassen ontstaan. Daarnaast is het behalen van de wettelijk vereiste WFT-diploma’s (Wet Financieel Toezicht) voor veel cursisten een extra struikelblok. Omdat het belangrijk is om elke cursist voor de opleiding te kunnen behouden heb ik onderzocht wat er gedaan moeten worden (door de cursist, door de docent en door de school) om de cursist uiteindelijk met een diploma de opleiding te laten verlaten.

In mijn onderzoek heb ik gebruik gemaakt van twee verschillende enquêtes die bij alle cursisten Commercieel Medewerker Bank en Verzekeringen (n=26) zijn afgenomen. De eerste enquête gaat over de “schoolbeleving” . Hierin staan de volgende begrippen centraal: school, klas, docent, instructie strategieën en beroepsbeeld. In de tweede enquête, die gaat over “studiebeleving” staan de begrippen motivatie, metacognitieve strategieën, tijd- en studieomgevings-management en regulatie-inzet centraal. In beide enquêtes is zoveel mogelijk gebruik gemaakt van bestaande vragenlijsten zoals de Motivated Strategies for Learning Questionnaire. De enquêtes zijn tijdens reguliere lessen digitaal afgenomen via VO-spiegel. Na het afnemen van de enquêtes hebben er twee semigestructureerde groepsinterviews met in totaal negen cursisten plaats gevonden en hebben er semigestructureerde individuele interviews met de vier kerndocenten en de opleidingsmanager plaats gevonden waarbij gebruik gemaakt is van topiclijsten op basis van mijn deelvragen en daarbij horende indicatoren.

Uit het analyseverslag diplomarendement CMBV blijkt dat cursisten weinig vertrouwen in de docenten en organisatie hebben en docenten weinig vertrouwen in de cursisten hebben. De cursisten hebben behoefte aan goede communicatie, duidelijkheid en structuur. Er is werk aan de winkel om de kwaliteit van de relaties tussen docent en cursist te verbeteren. Hierbij zal voor de docenten een stuk professionalisering alsmede voldoende teamoverleg noodzakelijk zijn. Ook willen de docenten meer betrokkenheid bij de opleiding en duidelijke sturing. Daarnaast is het belangrijk om een wijze te ontwikkelen waarop in een vroeg stadium een zo duidelijk mogelijk beroepsbeeld voor de cursist ontwikkeld wordt.

Kitty Kroskinski, 2014

Analyseonderzoek naar tevredenheid over computeropdrachten

Samenvatting van analyseverslag over het werken met computeropdrachten in de opleiding Pedagogisch Medewerker van het Regio College in Purmerend.

Evenals in allerlei facetten van ons leven en onze samenleving is de computer niet meer weg te denken uit ons huidige onderwijs. Toen ruim 15 jaar geleden het gebruik van computers in het onderwijs zijn intrede deed, had nog niet elke deelnemer thuis de beschikking over een computer. Het werken op school met computers was toen vernieuwend, zorgde voor een aantrekkelijke afwisseling met de “gewone” lessen en voegde op die manier iets toe aan de leeromgeving. Sinds die tijd zijn de computers een steeds grotere rol gaan spelen in het onderwijs en de lessen in de klas. Het vernieuwende is er nu er al weer een poos van af en de deelnemers op onze school werken steeds meer uren met de computer. Opmerkingen van deelnemers en docenten gaven aanleiding te denken dat het werken met de computers op onze Mbo-opleiding Pedagogisch Medewerker BOL niveau 3 en 4, eerder afbreuk deden aan de leeromgeving dan iets toe te voegen.

Na verdieping in literatuur over wat verstaan wordt onder een krachtige leeromgeving is een conceptueel model gemaakt het begrip “krachtige leeromgeving”. In dit conceptuele model van de krachtige leeromgeving komen kenmerken voor als variatie in werkwijze, de rol van de docent, didactiek, en de fysieke omgeving voor. Met behulp van een enquête voor deelnemers en interviews met docenten van de opleiding PW BOL is beschrijvend onderzoek gedaan naar hoe zij de verschillende elementen van de krachtige leeromgeving ervaren tijdens het werken aan computeropdrachten. De vragen in de enquête en interviews waren afgeleid van het conceptueel model van de krachtige leeromgeving.

Uit het onderzoek: analyseverslag tevredenheid over computeropdrachten 2013 blijkt dat het computerlesplein (de ruimte waar deelnemers op computers werken) door zowel deelnemers als docenten als onrustig ervaren wordt. Ook wordt duidelijk dat de deelnemers de computeropdrachten niet uitdagend vinden en dat ze over het algemeen niet tevreden zijn met de van de docenten verkregen feedback en hulp bij het plannen. De docenten gaven aan dat ze niet tevreden waren over het samenwerken van de deelnemers en dat ze niet veel ervaring hebben met het ontwerpen van computeropdrachten.

Naar aanleiding van de uitkomsten van dit onderzoek wordt onder andere aanbevolen om voorafgaand aan een nieuwe roosterperiode het team te laten kijken of er voldoende afwisseling zit in computer ondersteunende lessen en gewone theorielessen in een theorielokaal. Ten aanzien van de fysieke ruimte wordt aanbevolen om de openheid van de ruimte in te perken door het plaatsen van afscheidingen.

De docenten krijgen als aanbeveling om zich te bekwamen in het ontwerpen van “krachtige” computeropdrachten. Daarbij verdient ook de begeleidende rol van docent aandacht als het gaat om tijdig feedback geven en hulp bieden bij het plannen.

Chris Willemse, december 2013